H. van der Zedde

H. J. van der Zedde was ook betrokken bij het verzet. Hij fietste op de ochtend van het verzet langs de Klementbrug, op het moment dat buurtbewoners werden gefusilleerd…

”Ik woonde in de oorlogsjaren op de Renderklippen in de nabijheid van de huidige schaapskooi. Co Pleiter kwam veel bij ons. Ik sliep regelmatig bij hem thuis, wanneer er weer eens het een of ander aan de hand was. Ook hij had vaak andere gasten die verdwijnen moesten en dan enige dagen bij ons logeerden en dan weer gehaald werden. Door het wegvallen van de elektriciteit had  het verzet geen mogelijkheid meer om berichten door te geven. Daarom  zou ik dagelijks berichten doorgeven aan Co Pleiter. Ik heb daardoor meer gehoord en gezien, dan wellicht de bedoeling was. Ik heb Co hiervoor gewaarschuwd, maar hij was van mening dat ik wel het een en ander mocht weten.

 De accu en het anodeblok raakten leeg. H.P.L. Langevoord had contacten in Zwolle en zorgde voor twee anodeblokken. Op de boer­derij ’t Stokveld bleek men elektra te hebben, wat stiekem verkregen kon worden. Ik zou de accu ’s morgens 12 april weer ophalen, maar Co waarschuwde: ‘’Blijf weg bij de brug, er is wat op til.’’

 Hiervan wist ik niets. Ik had Co niet weer gesproken. Vrijdagmorgen 13 april fietste ik via de Enkweg naar de brug. Ter hoogte van de boerderij van Haverkamp kwamen twee S.S.-ers van beide kanten van de weg uit de rogge en joegen mij naar de brug. Haverkamp jr. lag al levenloos op de weg.

Ik werd bij een aantal mannen gezet, die er reeds stonden. Van Lohuizen werd het erf opgejaagd. Ze schreeuwden  ” Er hat sich versteckt!”. Hij werd gefusilleerd.

 Om ongeveer 10 uur werden wij gefouilleerd. Om de beurt mochten de mannen  naar huis. Toen ik aan de beurt kwam, haalde de Feldwebel een stuk papier uit mijn bin­nen­zak en vroeg wat het was. Ik hield mij van de domme, staarde wat wezenloos voor mij uit en haalde de schouders op. Hierop vroeg hij wie Duits kon lezen en spreken.

De heer van Olst, boekhouder bij zeepfabriek “de Klok”, kwam naar voren en begon te lezen. Wat hij las was niet aangenaam en gunstig voor de bezetters. Het waren oude berichten en ik was helemaal vergeten, dat dit vodje papier nog in mijn binnenzak was blijven zitten.

Toen kwam het moment, dat er werd beslist over mijn leven of de dood.
De Duitser legde zijn handen op mijn schouders en keek mij recht in de ogen. Toen is van het weinige goede, dat er in hem aanwezig was, toch naar boven gekomen: Ik werd apart gezet en niet onmiddellijk gefusilleerd.Verdere details wil ik besparen, wat wij met ons vijven moesten doen en waarmee men ons dreigde…

 De jaarlijkse gang naar de Olsterbrug is voor mij niet alleen een eerbiedig herdenken van de gevallen mannen, die ik praktisch allemaal kende, maar ook welt er een dank­gebed op, dat gezonden wordt naar Gods troon, waarin ik Hem dank voor Zijn hulp en Zijn genade aan mij geschon­ken in dat uur, zodat het mogelijk is, dat ik deze brief aan u mag schrijven.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.