Toespraak 2013

13 april 2013

Deze herdenking wil ik in het teken zetten van de generatie die aan het uitsterven is. Zij die het bewust hebben meegemaakt. De meesten zijn in de jaren der sterken gekomen, 68 jaar na dato. Ze zijn waarschijnlijk op de vingers van een hand te tellen.

Zij die al die jaren de last meedroegen van een gebeurtenis, die we tegenwoordig zouden benoemen met het PTSS label. U weet wel: het post-traumatische stress syndroom, waar je zo vaak over hoort in het kader van uitgezonden militairen. Je maakt het mee en raakt het nooit meer kwijt. En dan is “de dertiende” elk jaar een herinnering; een herinnering waarin je familie, je vriend, kwijtraakte en achteraf: voor wat?

Voor wat? kunnen we invullen, nu. Deze herdenking is jaarlijks, een bewustwording van de vrijheid die we genieten, en stilstaan bij de keus van je leven die zij, maar ook wij telkens moeten maken. Waar doe ik het voor.

We staan op het knikpunt van een derde generatie. De eerste, zij die het bewust meemaakten. De tweede, die het van verhalen en gevolgen van de eerste generatie moesten hebben. En nu zij, hun nakomelingen die jaarlijks in steeds groeiende aantallen, belangstelling tonen en meevoelen in het waarom van dit gebeuren.

Verleden jaar, toen een dierbare vriendin van de eerste generatie er even doorheen zat, heb ik haar het volgende gedicht gestuurd. Het hing boven mij vaders bureau om hem te troosten die zoveel verloren had. Deze vriendin heeft nog meer verloren. Niet alleen haar geliefde, maar ook nog haar nageslacht. Laten we de ouderen eren voor hun lange jaren van herdenken. Het Sonnet is geschreven door J.W.F. Werumeus Buning.

Bezit de rust, temidden van den strijd
En vraag u af waarom, en weet geen reden
Tenzij ’t is Gods geschenk, dat u die vrede
Geeft in den donkeren en zwaren tijd.

Wie God vertrouwt, raakt geen vertrouwen kwijt,
Men lijdt niet veel, wanneer men heeft geleden.
Beproeving deelt ons vele krachten mede,
En leert ons rekenen met de eeuwigheid,

Niet met het uur. De wereld sta in vlam,
Die u en mij nog heden kan verteeren;
Denk aan den herder en ’t verloren lam:
Wie God genegen is wordt thuisgebracht
Uit ergste nood, en als het zoo mocht keeren,
In ’t vaderhuis, ook in den diepsten nacht.