Toespraak 2007

13 april 2007

Wij gedenken.

Het is opnieuw vrijdag 13 april, de dag dat 62 jaar geleden hier twaalf  mensen gedood werden. Een enkeling door “friendly fire”, een ander door toeval omdat hij over de weg liep, een ander doodgeslagen met een schop, maar de meesten door een standrechtelijke executie, waarvoor de daders in deze dagen naar het gerechtshof in Den Haag zouden zijn gehaald. De aangifte van deze wandaad, waarbij namen en functies van uitvoerenden bekend werden gemaakt, heeft het nooit gehaald. Te weinig doden, te weinig belang.
Deze dagen maken we hetzelfde mee. Een aangifte van mensenhandel haalt het niet, omdat er te weinig wandaden in Nederland zijn begaan. Is het: ”opdat wij niet vergeten” dan niet ook de opdracht dat het niet weer zal gebeuren? Zij die hier gedood werden, hebben op enig moment onder ogen gezien dat onrecht niet mag, daarvoor zijn ze gevallen. Is het verdriet wat we allemaal kennen niet nutteloos als we weer onrecht laten gebeuren?
Ik vond in het historisch archief van deze herdenking een aangifte tegen een gemeentefunctionaris, die weigerde mee te werken met het verzet. Zijn beweegredenen waren dat hij weigerde mee te werken aan het plegen van administratieve onregelmatigheden, omdat hij “waar” wilde blijven, en dit knoeien te zullen beletten als hij er iets van merkte. Toch waren, als hij meegewerkt had, diverse levens gered geweest en was veel leed bespaard gebleven. Hij stelde zijn persoonlijke veiligheid boven de invrijheidstelling van twintig gevangenen.
De afgelopen dagen hebben, net als in voorgaande jaren, zo’n honderdvijftig leerlingen van de hoogste groepen van de basisscholen uit Heerde het verhaal gehoord van wat hier gebeurd is. Jaarlijks maken ze de tocht in het kader van de verhalen route en jaarlijks horen we hoe indrukwekkend ze het verhaal vinden. Ook de begeleiders die het al meermalen meegemaakt hebben.
Moeten deze, nu nog kinderen , hier over zestig jaar staan en denken aan het leed wat er heden ten dage  is, omdat we slechts de regels wilden volgen en de barmhartigheid vergaten?

Wij in de daadkracht van ons leven, zoals de mensen die hier vielen, kunnen ons niet achter regels verschuilen zolang hier temidden van ons mensen in nood zijn. Mensen die nu met het uitzicht op Goddank een Generaal Pardon onze hulp nodig hebben in de laatste dagen waarbij ze moeten bewijzen waar ze geweest zijn de afgelopen jaren. Waarbij ze geholpen moeten worden hun weg te vinden en te leren wat wij, westerse mensen, belangrijk vinden in de bewijskracht.
Zeggen we ‘dat moet U zelf maar uitvinden, heeft U het niet begrepen, jammer dan, maar U kunt niet bewijzen dat U vanaf 2001 in Nederland was’? Dat er gemeentes zijn die geweigerd hebben mensen in de Gemeentelijke Basis Administratie in te voeren, hoewel er een wettelijke verplichting daartoe is. Hoe moeilijk is het, als je eenmaal Met Onbekende Bestemming vertrokken verklaard bent te zijn, te bewijzen dat je bestaat. Je bestaat niet, dus je hebt geen recht op brood en bed, laat staan medische verzorging. Dat er een minister heeft kunnen regeren die dit bewust gedaan heeft om de cijfers van vertrokkenen op te voeren. In Nederland zijn er naar schatting zo’n tien- tot twintigduizend MOB’ers en in Gelderland weten we zeker (geregistreerd bij de opvangorganisaties) minstens vijfhonderd. Wat heb je te verkopen behalve je eigen lichaam? Criminaliteit is niet ver dan en uitbuiting al helemaal niet.
Burgers van Nederland, zoals wij hier staan zestig jaar na de onthulling van dit monument, laten wij onze verantwoordelijkheid nemen, zoals de Schepper die ons gegeven heeft. Zodanig dat onze kinderen straks kunnen zeggen: we zijn trots op jullie, omdat je meer gedaan hebt dan wettelijk nodig was, jullie hebben mensen gered zoals de gevallenen hier het hoogste offer gaven.

Zestig jaar na dato zijn de volgende woorden nog steeds van belang zoals ze toen bij de onthulling van het monument ook uitgesproken werden: “dat daardoor eerst recht voor hen gevonden wordt. Voor hen die vielen.”

A.H. van Apeldoorn